|
|
Een vulkaan (ook vuurspuwende berg geheten) is een geologische structuur, veelal in de vorm van een (kegelvormige) berg, waardoor magma uit de mantel het oppervlak van een planeet kan bereiken. Wanneer dit magma onder hoge druk en met hoge temperatuur de oppervlakte bereikt, wordt dat een eruptie genoemd.
|
|
Schildvulkanen zijn gevormd door laag-visceuze (dus mafische) lava die ver kan uitstromen, waardoor de vulkanen gekenmerkt worden door een brede basis en langzaam oplopende, flauwe hellingen. De grootste vulkanen op aarde zijn van dit type. De Mauna Loa op Hawaii met een doorsnede van 120 km is hiervan een duidelijk voorbeeld.
|
|
|
Kegelvulkanen ontstaan als gruis, puin en veelal kleine rotsblokken die door de vulkanische opening worden uitgeworpen en zich daaromheen ophopen. Hierdoor ontstaat er een kegel met in het midden een krater. Een voorbeeld is de Hverfell bij Mývatn op IJsland.
|
|
|
Stratovulkanen zijn het tegenovergestelde van schildvulkanen. De lava die uit dit type vulkaan komt is veel visceuzer (en dus zuurder van samenstelling) en taaier dan de lava geproduceerd door schildvulkanen. Daardoor kan de lava niet ver uitstromen. De lava hoopt zich als het ware op waardoor de vulkaan hele steile wanden vormt. De Fuji in Japan is een bekende stratovulkaan.
|
|
supervulkanen. Dit zijn vulkanen die weinig reliëf hebben en vaak voorkomen als kloven of gaten in het landschap. Over een periode van een miljoen jaar barsten ze slechts 1 à 2 keer uit en stoten daarbij grote hoeveelheden as en stof uit (meer dan 2500 km3). Een voorbeeld is de Toba op Sumatra.
|
|